Verslag
Verkenning naar Schotland

De verhalen van 2 Vetsmotards in Europa –
Vijfde jaargang – Nr. 1
Silver Shadow en White Bison in Schotland
De
Zilveren had plannen gemaakt om dit jaar met zijn jongste broertje
Spapie een scoutingtrip naar Schotland te ondernemen. Spapie
onderging echter onontkoombaar in het voorjaar een groot
40-jaarlijks onderhoud. Hij had een onafwentelbare afspraak met de
plaatslager van Cockerill-Sambre. Een nodige kost trouwens om zijn
jarenlange zwaar belastte ruggengraat te verstevigen met goedkoop
oud ijzer dat hij op de kop tikte bij ex-Veteraan carrosserie
Walravens. De plaatslager in kwestie verklaarde ondubbelzinnig aan
Spapie dat motorrijden voor een paar maanden ‘wishful thinking’
zou zijn.
Silver Shadow stond dus alleen voor de loodzware opdracht om het
kille noorden van het Britse eiland te verkennen ware het niet dat
White Bison altijd beschikbaar en startklaar staat om onbekende en
onbereisde tochten te ondernemen.
Het viertal reisde af op 30 juni en zette opnieuw voet aan wal in
Amsterdam op 5 juli. Hun beider squaws Rita en Annemie zagen een
tocht naar de overkant wel zitten. Tocht was voor White Bison’s
eega Annemie heel erg letterlijk vanwege het toeren met open helm.
White Bison had voor de gelegenheid en om het Annemie wat
comfortabeler te maken een Pan European gehuurd. Zijn CB Hornet 900
was niet echt een gerieflijk vervoermiddel voor de passagier van een
zesdaagse rondreis die ruim over de tweeduizend kilometer zou
bedragen.
De Zilveren had alle waypoints heel nauwkeurig ingevoerd in zijn
TamTam TomTom en ietsje over vieren vertokken ze via de E40 richting
Zeebrugge. Silver Shadow was curieus welke maatschappij de beste
service leverde. Hij wou daarenboven de moeilijke mannen van de
Vetsmotards kunnen overtuigen welke schip er een gepast en
zeevaardig overzetstatuut bezat. Voor de heenreis boekte de Zilveren
P&O, voor de terugvaart koos hij voor het Noorse DFDS.
Na een bijna (een chauffeur zwaar onder invloed van weed of wat
dan ook ging even voor de neus van de motards wat aan het zwalpen)
vlekkeloze rit naar Zeebrugge scheepten de Pajotters hun motoren in
rond 17u30 om af te meren rond 19u00.
Als de motoren veilig door het P&O personeel waren
vastgesjord in de buik van het schip gingen de verkenners naar hun
vertrekken.
Eens
in slaapcabines bleken de kooien voortreffelijk en keurig net
verzorgd. De stapelbedden in de kleine ruimtes bleken op zich
comfortabel aanvaardbaar al had Silver Shadow toch wel wat moeite om
zijn lange lijf, via het mini-laddertje, tussen het bovenste bed en
het plafond te persen. Vooral afdalen naar zijn wederhelft vergde
wat klim- en kruipwerk.
Een frisse douche was zeer welkom want in de holle buik van het
aangemeerde schip was het branderig heet. Op een mum van tijd stond
iedereen er letterlijk in zijn lijfsap. De Zilveren verwees passend
naar The Herald of Free Enterprise en de vreselijk paniekerige
taferelen die er zich moeten hebben afgespeeld maar hij werd al snel
en resoluut door zijn madam op het matje geroepen voor deze lugubere
kanttekening. White Bison trok onopgemerkt zijn wenkbrauwen naar
boven en kamde met zijn vingers de onderkant van zijn haar.
Na
het essentiële aperitief gingen de koppels dan naar het restaurant.
Ondertussen had het schip volle zee bereikt. Golfslag of deining was
er niet die avond en de schone zonsondergang was een aanvullend
geschenk van White Bison’s goden, zo zag hij het.
Tijdens het avonddiner dreef de Portugese kelner Ramos ongevraagd
nog wat de spot met het scheissewetter in Centraal Europa. Bij hem,
in de Algarve, was het altijd stralend. Toen hem gevraagd werd
waarom hij het scheissewetter kwam opzoeken zei de man dat het weer
er wel mooi was maar dat hij er geen werk vond. Althans niet aan
zo’n wedde zoals hier op het P & O schip. We kregen een
adreskaartje van de achternicht van een tante die er aan de rand van
de stad kamers verhuurt.
's Ochtends bij het ontbijt zei Juul plots: ‘Amaai, die
Engelsen zeg, dat zijn allemaal dikke mensen!’. We keken even rond
en.... hij had nog gelijk ook.
Toen het viertal dan diezelfde zondagmorgen in Hull het schip
verliet regende het pijpenstelen. Daarenboven stonden de motards
zo’n drie kwartier stil in de kletsende regen vanwege verhoogde
veiligheidsmaatregelen aan de douane de dag na de poging tot
bomaanslag in Glasgow.
W e
reden vanuit Hull, via York, Carlisle, Glasgow richting noorden. Een
lange reis die desondanks goed verteerde. Amper tien minuten na het
vertrek naar dat ruwe noorden bleef de tergende regen uit en het
korte scheissewetter was helemaal vergeten toen we een paar uur
later plots het bord ‘Welcome to the Highlands’ opmerkten. Nog
zo’n 10 minuten verder, te midden van de eerste heuvels stond dan
eensklaps en ‘In de middle of nowwhere’ een eenzame Schot in
traditionele kledij op zijn doedelzak te blazen. Als je dan vanuit
het drukke centrale Engeland komt krijgt een mens een immense
cultuurschok. Het overvalt je allemaal heel snel. Onze biologische
klok kreeg daar vanzelf een stevige klap en de omgeving is niet meer
van deze wereld. Een paar meters verder graasde een hert met haar
jong. De indrukwekkende bok nam plaats tussen ons en zijn familie,
schudde effen met zijn stevig gewei, keek ons recht in de ogen en
maakte ons alzo zeer duidelijk dat we nu dicht genoeg waren. We
gaven het beest gelijk.
Ja,
dit is het, daarvoor zijn we de Noordzee overgestoken ! Ook beide
duozitters waren degelijk onder de indruk van het effect van de
tijdscapsule. Een tijdssluis van aarde naar Mars.
Vanaf dit punt werd ook het motorrijden anders, geen
verkeerslichten meer, zelfs geen verkeer meer. Rond 18u00 kwamen aan
in Inchree. Inchree ligt zo’n 15 kilometers ten zuiden van Fort
William aan de oevers van Loch Eil. Loch Eil is één van de meren
(Loch Linnhe, Loch Lochy en Loch Ness) die het Caledonisch kanaal
vormen tussen de Noord Atlantische oceaan en het noordelijke deel
van de Noordzee. Van hieruit kan je aan de overkant van het meer ‘
The Inn’ in Corran al zien liggen. The Inn zal gedurende drie
dagen het verblijf van de Vetsmotards zijn. De oversteek met het
veer is amper 500 meters en ongeveer vijf minuten.
‘Nu nog even het veer op...’ zei Juul ‘...en binnen een uur
ligt dat stevig stuk Schots vlees op mijn talloor!’....... ‘Ah
neen, eerst nog een pint’ verbeterde hij.
Juul
koos voor ‘The Inn” omdat in deze onherbergzame streek het
inderdaad niet evident is om een verblijf te vinden met meer dan
twee of drie kamers. B & B’s zijn er voldoende maar met een
overtocht van alle Vetsmotards in mind is dat natuurlijk geen
onbelangrijke beslissing. Daar bovenop ligt het hotel in een oase
van rust. Ver weg van alle storende factoren. Enkel het veer (van
08u00 tot 21u00) is in Corran een teken van westerse activiteiten.
Men neemt er vlotter en makkelijker de ferry dan dat men hier in
België de bussen van De Lijn kan ophuppelen.
The Inn en haar pub is wel degelijk goed uitgerust voor de komst
van de Vetsmotards. Luke, de eigenaar, ontvangt er trouwens
jaarlijks motards uit alle hoeken van de wereld. Gore-Tex huurt het
hotel ieder jaar af en organiseert er rondritten om in het barre
noorden nieuwe motorkledij uit te testen en te evalueren. Dat zegt
ook al iets van de streek en het klimaat.
Na het avondmaal leggen Annemie en Rita zich snel te slapen, zij
hebben de dag goed verteerd maar rust is welkom. Juul en Walter
drinken traditiegetrouw nog een pint (spreek uit: paint) en spoelen
deze weg met een plaatselijke whisky. Buiten heeft de nacht de
omgeving ingepalmd. Over het meer en de bergen heerst er nu een
vreemde, ongekende stilte. Fijn om met dit beeld op het netvlies
onder de wol te kruipen.
Het ontbijt is stevig en Haggis is er genoeg. Men kan moeilijk de
Schotse contreien bezoeken zonder dit typische gerecht te hebben
geproefd. Voor de leken: Haggis is een schapenmaag of runderdarm
gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout. Weinig
niet-Schotten weten Haggis naar waarde te schatten en de Schotten
vinden het amusant onwetende toeristen wijs te maken dat Haggis een
klein, wild dier is waarop gejaagd moet worden. Hoe zouden we zelf
zijn!
Rond tienen reden de motoren opnieuw de Corran Ferry op. Voor
1,50 £ ben je snel aan de overkant. Die maandagochtend vertrokken
de motards via Fort William om van daaruit langs de oostelijke kant
van Loch Ness naar Inverness te rijden. Mooi maar net niet
adembenemend. Een klassieker trouwens die we bij een eventuele
overtocht van de Vetsmotards anders willen aanpakken. Aan de
oostelijke oever van Loch Ness stopten de grijze motoren om in het
dorpje Drumnadrechit een Loch Ness-soevenirswinkel aan te doen.
Aan
de kassa vroeg een slimme Amerikaan aan de uitbaatster of zij al het
geluk heeft gehad om het monster te kunnen spotten. De mevrouw
knipperde snel met de ogen en antwoordde smalend: Not yet......
sir…..not yet, maybe later, one day if I got lucky’. White Bison
stuurde haar een ironisch knipoogje vanwege de lachwekkende vraag.
En niet omdat ze zo mooi was ... nee-neen, mooie vrouwen zijn er
trouwens in dit gure oord niet te vinden. Toch niet uiterlijk
mooi... ‘en mooie mannen ook niet’, repliceerden Rita en Annemie
snel.
Bij het terugrijden deden de motards nog even de Ben Nevis aan.
In het Keltisch staat Ben voor heuvel of berg. Met Glenn wordt dan
de vallei of dal bedoeld. De Matterhorn zou in het Keltisch dan Ben
Matterhorn zijn, de Mont Blanc zou hier Ben Blanc noemen. Het
Lechtal zou Glenn Lech wezen.
Ben Nevis is met zijn 1344 meters de hoogste alp van het
volledige Verenigd Koninkrijk. In de winter kan men er skiën, in de
zomer zijn het vooral wandelaars en gekken die met een mountain bike
de downhill beoefenen.
Ben
Nevis ligt amper op een boogscheut van Fort William. De motards
gingen op zoek naar een degelijke pub. Café’s of terrasjes zijn
hier niet evident en de mannen hadden toch zo’n onblusbare drang
naar een goeie Guinness, een Iers bier van het type Stout met schuim
als geklopte slagroom... and so be it.
In het winkel-wandelstraatje, vol met leuke Schotse winkeltjes,
trokken Juul en Walter snel hun vrouwen een bruine Ierse pub binnen.
Man, man, man.. ....een Guinness van het vat, daar gaat niets boven.
Al snel stonden Silver Shadow en White Bison oog in oog met het
zwarte bier with a thick creamy head, zoals ze het hier zeggen.
Het bier wordt in Dublin gebrouwen maar zeg het vooral niet
voort... en zeker niet als er Ieren in de buurt zijn, maar Guinness
kent zijn oorsprong in de vroege jaren 1700 eigenlijk in... jawel,
London. Arthur Guinness startte in Dublin een eigen brouwerij op in
1757. Arthur Guinness zelf had een apart personeelsbeleid. Zo
betaalde hij zijn werknemers 10 tot 20 % boven de standaardwedde die
tijd, leverde gratis gezondheidszorg en onderwijs. In 1930 was 1 op
10 mannen direct of indirect afhankelijk van de brouwerij.
Nog fijn om weten, diezelfde Guinness is de oorspronkelijke
uitgever van het Guinness Book of Records. Oorspronkelijk bedoeld om
gesprekstof te leveren in de café’s (natuurlijk bij een glas
Guinness). Voor zij die het willen weten: Eén Guinness bevat
slechts 198 calorieën. Het zal Juul en Walter worst wezen.
Aan de toog staan zwaar getatoeëerde mannen met oorringen en
enkele onder hen missen hier en daar wel een tand. Eén ervan drinkt
in zelfs in stereo; nu eens van zijn ‘paint’ en dan eens van
zijn ‘whisky’. Het viertal maakt er een spel van ze te
vergelijken met bestaande stamgasten van bij Kuiper.
Ze waren zo typerend voor de streek; ruig, woest, geheimzinnig en
waarschijnlijk vannacht.... heel stil. Pure Schotse folk toch.
Volgens de geschiedenisbronnen van Wikipedia zijn Schotten in
feite overgestoken Ieren, Kelten dus. Vandaar dat de gelijkenis zo
treffend is.
Die
dag kregen de trekkers slechts een paar druppels regen en een korte
drasj te verwerken. En er is geen enkele reiziger, die daar ook maar
over één woord over zaagt.
Juul verankerde bij de aankomst aan het hotel zijn motor vast aan
een stevige (*) tafelpoot. Dan viel traag maar zeker de nacht.
Het avondmenu in ‘The Inn’ bood opnieuw een ruime waaier van
mogelijkheden. Ook Haggis...
Op dinsdagmorgen zouden we nog wat noordelijker The Highlands
intrekken en vooral The Isle of Skye niet vergeten. Skye is het
grootste en meest noordelijke eiland van de Inner Hebrides van Schotland.
The locals noemden dit eilandje The Winged Isle (gevleugeld eiland)
maar in april van dit jaar verkreeg het de officiële poëtische
naam: “Eilean a’Cheo” - The Isle of Mist.
De Vetsmotards zouden via het meest zuidelijke meer van het
Caledonisch kanaal over Strontian naar Mallaig toeren om van daar de
overzet te nemen naar het legendarische Isle of Skye.
Eens om de hoek op de A861 richting Strontian maakten de
reisgezellen kennis met de echte Highlands, zoals we ze verwachtten.
White Bison ging al rijdend recht op de pedalen staan en spreidde
zijn armen wijd open als verwelkoming van het natuurgeschenk. Hij
kreeg al snel langs achteren een stevige tik op de helm van zijn
Annemie die een dergelijk eerbetoon niet zag zitten.
Silver Shadow nam ongewild gas terug en stak beiden armen hoog
op. Dit alles om dit natuurfenomeen optimaal te kunnen beleven.
Kilometers
ver reden de Vetsmotards zonder ook maar één voertuig of mens te
kruisen. Hoe noordelijker, hoe mooier...dachten ze. De twee motoren
gleden langzaam door de dalen, langsheen rivieren en bereikten iets
voor de middag Mallaig, waar de overzet reeds op hen lag te wachten.
Aan de havenfrituur startte White Bison een babbel met een local
die in zijn wagen eveneens wachtte om het veer op rijden. De man was
ooit werkzaam geweest voor een Brits bedrijf in Centraal Afrika en
dacht, aan de nummerplaten van onze motoren te zien, dat we
Luxemburgers waren. White Bison maakte hem snel duidelijk dat onze
roots in het Vlaams landsgedeelte van België lagen en dat we zelf
ook, op onze eigen manier dan wel, zeer Schotse types waren.
‘Yes, I know’ zei de dikkerd, ’You people have two bloody
languages’. ‘No no, my friend, we have three official
languages’ verbeterde White Bison en hij ging verder: ‘We do
have the Flemish language, we do have the French language and we
also do have a small German speaking community’. ‘Oh God,
really? I don’t like that bloody language’ zei de man waarvan
één derde van zijn gezicht behaard was.
Het leek net of die twee mekaar al jaren kenden en er ontstond al
snel een begripvolle band.
Toen de man hoorde dat we over de weg van Strontian naar Mallaig
waren gereden zei hij: ‘My God, you came all the way down from
Strontian? If something happens to you, no one will ever find you
back there. That area is a damned bloody forgotten place!’.
‘Well, in our lives, my friend, we‘ve conquered other
difficulties. We are survivors !’ pochte White Bison.
Het veer bereikte een half uur later The Isle of Skye. Het eiland
ligt op dezelfde noorderbreedte als Göteborg en Moskou. Het is van
daaraf even ver naar Ijsland als van Zeebrugge naar The Ilse of
Skye. De maximum temperaturen in de zomer zijn er van 15 C° tot 20
C°. Maar meestal is het er guur en winderig. Je ziet dat trouwens
ook aan de dikke muren en kleine vensters van de weinige huisjes die
er zijn gebouwd.
Met de BMW de kop en de Pan in het zog van de boxermotor trok het
viertal noordelijker rond het Loch Slapin tot ze plots met het einde
van de wereld werden geconfronteerd. Omkeren was er de enig
mogelijkheid.
White
Bison had enkele kilometers terug een cottage opgemerkt waar je
waarschijnlijk wat kon drinken en eten, zei hij. Het was ondertussen
rond één uur, het ontbijt was al verteerd en het viertal kon
opnieuw wat energie gebruiken. Toen ze aankwamen aan het eethuisje
kwam ineens de eigenares opdagen en draaide prompt het bordje
“Open” met de zijde “Closed” naar ons toe. Juul stak zijn
beide handen stevig in zijn lenden en riep: ‘Awel gij, da’s
straf!’.
De vrouw kwam naar ons toe en zei: ‘People, I am sorry, maar ik
kan jullie niets aanbieden. Ik stuurde vanmorgen mijn echtgenoot
naar de winkel (zo’n 50 kms verder) om food en drinks voor de
toeristen... en weet ge met wat hij terugkwam meneer?’. ‘Euh
neen’ zei de Zilveren, ‘neen madam, dat zou ik echt niet
weten’.
‘ Met benzine, meneer ! Benzine voor zijn boot. Hij ziet de zon
en het enige waar hij dan nog kan aan denken is Boat ! Boat ! Dus,
ik kan jullie spijtig genoeg niets aanbieden’. ‘Mijn man zit
ginder ergens, op zijn boat !’ riep de geïrriteerde mevrouw
terwijl ze naar het in de verte gelegen Loch Slapin wees en hoopte
dat Nessie hem en zijn boat naar het diepste der diepten sleurde.
Juul, zelf eigenaar van een boot (*) lachtte begrijpend, pletste
zich stevig met de handpalmen op de dijen, haalde zijn schouders op
en zei: ‘Let’s go!’.
Na haar verontschuldigingen vertelde de dame ons dat er ongeveer
15 kilometer of 9,32 miles terug een klein blauw gebouw stond aan de
rechterkant van de weg, daar zouden we waar en zeker wat food en
drinks kunnen krijgen. Al liplekkend reden we terug rond het Loch
Slapin en vonden wat we zochten en nodig hadden.
De beloning om haar raad op te volgen was groot, zeer groot!
De
contouren waarin het viertal zich nu bevond was overweldigend. Het
was alsof je bovenop de rand van een wolkendek naar de wereld onder
je zat te turen. Hier praatte niemand, dat hoefde ook niet. Het zou
trouwens zelfs ongepast zijn geweest. Allen zijn stevig onder de
indruk van dit stukje wereld.
Zelfs de loslopende herten, koeien en schapen vertoonden er een
dagelijkse négligance veroorzaakt door de magische omgeving waar
niets anders lijkt van tel te zijn.
Het belang van tijd of rush-hour is hier zo goed als onbestaande.
Hier een mobieltje bovenhalen zou een onaanvaardbare handeling
geweest zijn dat grof in strijd was met dit goddelijke oord omgeven
door mystiek, respect- en bewondering-demanding. De enige deadline
die de bewoners van dit eiland lijken te respecteren is ervoor te
zorgen iedere dag te ontwaken.
Het leven op zich, of beter, leven op zich in dit gebied is een
geschenk..... al zullen heel wat sales of managers deze stelling
heftig betwisten. Men kan er inderdaad weinig economische voordelen
rapen maar onze zielen hopen stellig, heel diep, dat dat zo zal
blijven.
Als er dan al een paradijs zou bestaan zal dat hier
waarschijnlijk wel heel kort in de buurt zijn.
Ook het motorrijden op zich is er totaal anders. Er zijn de
“blind summits” en de “Passing-area’s”.
Een “blind summit” aan te hoge snelheid nemen zou heel zeker
fataal aflopen terwijl zo’n “passing area” op veel plaatsen de
enige plaats is waar een motor een wagen echt kan kruisen.
Zelfs al lijkt mekaar kruisen optisch wel mogelijk, toch is het
verstandiger zo’n “passing area” te gebruiken bij het
passeren.
Anders nog moet men rekening houden met de open, gesloten of
half-open dierenhekken op de weg. Daar bovenop de brede roosters in
het midden van de weg, en in een bocht, die steevast het voor- of
achterwiel aan het schuiven brengen.
Na rondgetoerd te hebben in de Alpen, de Vogezen, Het Zwarte
Woud, Le Morvan, Wales, Normandië, Côte d’ Opale, de Jura en
Italië (“Nederland in deze lijst is ‘Quantité négligable”)
kan met zekerheid gesteld worden dat geen van alle streken ook maar
enigszins vergelijkbaar zou kunnen zijn met dit vreemde noordelijk
deel van het Britse Koninkrijk.
Met een intense en gelukzalige glimlach, verborgen onder de helm
maar duidelijk zichtbaar aan zijn pretoogjes, stuurde Juul zijn
boxer naar Eilean en Bass Rock waar een indrukwekkende
verbindingsbrug twee aparte delen van The Highlands met elkaar
verbind. De enige manier waarop men zonder schip of sloep van het
ene eiland naar het andere kan.
Ze zouden helemaal langs de noordzijde van Loch Eil naar Fort
William rijden om er weer een heerlijke Guinness te proeven.
Tedoemme toch, hé! De mannen hadden duidelijk zin om nog
noordelijker te trekken maar er was een reëel gebrek aan
beschikbare tijd. ‘Minstens één of twee dagen meer’ beaamt
Juul met getuite lippen terwijl hij een paar keer kort maar
bevestigend knikt. Niemand die hem tegenspreekt.
Ditmaal werd pub “Ben Nevis” aangedaan, vanwege de naam
zeker. Het viertal zat er among the locals. Right in de middle of
big beers and heavy stories. Ja, dat zijn ze! De Schotten, voorwaar
geen “Club Medgangers” maar duidelijk “No Rubbish-” or “No
Bullshit-people”.
“Ceud Mile Failte”; Honderdduizend maal welkom in het
Keltisch. Dat is wat men echt waarlijk in de Highlands kan
verwachten.
Overdreven commerciële vriendelijkheid is niet aan dit volk
besteed. Men wordt er ontvangen met een licht afstandelijke maar
gemeende hartelijkheid. Echte gastvrijheid, fijn toch!
De mannen en vrouwen in de pub praatten er honderd uit. In het
taaltje wordt weinig gearticuleerd en is tevens moeizaam te verstaan
zodat er al wel eens potig op de toog geslagen wordt. White Bison
vertelt zijn reisgenoten dat de toogrammer in kwestie heel zeker een
vooraanstaand lid is van de plaatselijke Mac Debraekeleer-clan. Veel
is duidelijk: “ Great Scotch, No Rules”.
De keuze in het menu van The Inn is ruimschoots toereikend om
gedurende het driedaags verblijf voldoende verscheidenheid te kunnen
verstrekken bij het avondeten. Jawel,…. Ook Haggis.
Morgen inschepen in Newcastle…. De Vetsmotards willen morgen
vroegtijdig vetrekken om bij eventueel gedonder onderweg nog over
wat tijd in reserve te kunnen beschikken. Niet dat het zo’n lange
trip zal wezen maar het schip of zijn kapitein wacht niet.
Annemie en Rita kruipen snel onder de wol terwijl de piloten in
de bar van The Inn nog aan een laatste whisky lebberen. ‘Niks
speciaal’ wist whiskykenner Silver Shadow, ‘ik had hier wel wat
beter verwacht!’.
‘T’is vuurwater jong, ik ben er toen ik nog jong was eens
helemaal zot van geworden’ zei White Bison met een verkrampt
gelaat. Sinds die dag heeft hij het goedje nooit meer aangeraakt
tenzij in één of andere vleessaus. Maar als bezegeling van de
geslaagde motortrip en voor Juul maakte hij wel een uitzondering.
Buiten is het nu nacht, binnen ook trouwens maar daarbuiten voelt
men waarachtig de nacht…. als nergens anders! Er is hier vrijwel
geen artificiële lichtbron en toch is het hier zo helder, zo klaar.
De blinkende sterren verlichten de feeërieke omgeving en geven de
vale slangen mist een trage sluipende beweging. De nevel verbergt
een deel van het meer en de bergen, het is een legendarisch tafereel
dat de fantasie daadwerkelijk aanblaast. Men denkt hier, nu echt aan
niets meer dan aan dit.
Bovendien hoort men hier niets, maar toch wel, men hoort er
onbegrijpelijk een zalige geluidloosheid, een ongekende vredigheid
die plots een kantelmoment van de menselijke geest teweeg brengt.
Het slome kolken van het meerwater brengt een ritmisch en
hypnotiserende klank met zich mee.
Tsjonge toch, waar maakt de mens zich toch soms overal druk om.
Waar gaat het hier eigenlijk over.
Men denkt er algauw na over de gemiste kansen, de alternatieven,
de successen, de mislukkingen, het verlies, het tekortschieten soms
in woorden. Men denkt er aan de mensen om wie men geeft….. en
zelfs aan diegenen waar men eigenlijk wat minder om geeft. Dat doet
zulke omgeving met een mens. Kortom, men staat er ongewild toch even
stil…. De omgeving krijgt het moeiteloos voor mekaar een mens
eventjes in een andere dimensie te begeleiden…….
De streek is vooral bij nacht mysterieus, sprookjes- en
toverachtig. Geen wonder dat er hier straffe legendes ontstonden
over kloeke langharige mannen met rokken die uit de nevelsliert te
voorschijn kwamen, de vijand de kop insloegen en al even snel
verdwenen. Geen wonder dat er hier uit het diepe meer monsters met
lange nekken de kop opstaken.
Nog één whisky…als slaapmuts …. morgenvroeg verschijnt er dan
een draak van een kater.
The morning after...
‘Luke, would you be so kind to give us our bill, please?’ zei
Juul. ‘I sure will’ antwoordde de baas van The Inn.
Na
het afrekenen namen de Vetsmotards de volgende ochtend voor het
laatst de “Corran Ferry” naar de overkant. Vanuit Inchree reden
de Rockter en de Pan via het zuidelijk gedeelte van de Highlands
naar Edingburgh om uiteindelijk Newcastle te bereiken. Down south
liggen de nationale wegen dik bezaaid met permanente flitspalen die
door Juul’s Tom-Tommeken echter werden verraden. Op een stuk
onbewaakte motorway kreeg White Bison fiks een verbale boete van
zijn wederhelft omdat de Pan plots wat sneller ging rijden.
Mannen, allo kroket! Wat een schip! In Newcastle lag “The
Princess of Norway” van het Noorse DFDS Seaways op de motards te
wachten.
Het
zeeschip was zowat elf verdiepingen hoog en torende majestueus boven
de inscheepkade uit. De motoren kregen na de vrachtwagens toegang
tot de maag van deze gigantische ark.
Het prachtige schip had een frisse en nette uitstraling. Toch
zeer duidelijk positief verschillend van de P&O versie op de
heenreis.
Een uitgebreid en verzorgd avondbuffet, with “no limits”.
Silver Shadow zweerde dat het goed was en met een elegante
vingerknip bezegelde hij de tocht. ‘Een Laurent Perrier – Brut
please’ sprak hij met een ongeëvenaarde Knokkse flair. De
Russische ober, koeler dan de Champagne, bracht het goedje aan
tafel. Men kon in de ogen van de Sovjet zijn gedachten raden: “
Rijke stinkerds”.
Het avondmaal was af! Zo zegt men dat in het Pajottenland. Bravo
DFDS-Seaways en bravo dames wisten de Vetsmotards. Het is een zeer
puike prestatie om zes dagen lang als duozitter mee te toeren.
‘Ping’... ‘daar moet op geklonken worden’ vond Juul. Door
het achterraam van het schip merkten de Vetsmotards plots dat de zon
zich binnen enkele ogenblikken zou te slapen leggen. Ze kwam haar
dagelijkse afspraak met de horizon na. We waren getuigen van het
slepend en tergend voorspel tussen de gele gloeiende massa en de
kille kim.

Buiten, en van op de steile achterbrug op de negende verdieping,
genoot het volledig gezelschap ten volle van het natuurlijk
passiespel tussen planeet en aarde. ‘Dit tafereel bezorgt ons
voorspoed’ beweerde White Bison.........’We ‘ll be back, some
day’ dachten allen.
Met dit innemend schouwspel op het netvlies gingen Rita en
Annemie direct de lakens onder.
Juul en Walter zouden verder en dieper in deze gigantische
drijfstad op verkenning gaan. Ze hoorden duidelijk live-muziek. Na
wat speurwerk ontdekten ze op deck zes een gigantische ruimte met
bars, een casino met echte croupiers, een karaoke-bar en helemaal
achteraan een zeven-koppige band die met de typische foute nummers
er ambiance trachtte in te brengen. De Vets-mannen gingen aan de
toog genieten van een paar goeie frisse Belgische Stella’s en
zegden dat het goed was geweest. ‘Two more beers, please’.
De man aan de bar zei dan: ‘We do not serve any Stella
anymore’. ‘How come’ vroeg Juul hem met een gefronste
Highlandblik.
‘Well sir, that bar (lees frigo) is closed now, you will have
to drink Heineken from now on’ probeerde de ober verontschuldigend
fijn uit te leggen.
Oejejoei, dat appriciëerde Juul niet echt. Hem doen Heineken
drinken zeker! Dan sprak hij tot de jonge garçon: ‘Listen, you
know what man, you can go the boat in with your Heineken!’. De
Vetsmotards draaiden zich om en verlieten met vastberaden schreden
dit met zondaars vol geladen heidens oord. Ze gingen nog even wat
frisse lucht scheppen op het dek en zochten dan bijna succesvol de
weg naar hun slaapkooien. Ze vergaten dat er in de koelkast van hun
kajuit nog frisse exemplaren van het Leuvens drankje stonden.
Het ontbijtbuffet op de “Princess of Norway” had al evenveel
keuzemogelijkheden als het riante avondmaal. Ook Haggis.
Over
de boeg van het schip zagen de reisgenoten nu al het Nederlandse
vasteland liggen. De passagiers hoorden zich via de
geluidsinstallatie naar de parkeerruimte van het schip geroepen en
na een ongekende technische storing konden de motoren, na
vijfenveertig minuten wachten, het platform verlaten en reden ze de
kade in Ijmuiden op. Juul configureerde dan “Schepdaal-België”
in zijn TomTommeke. Vrij vlot en ongeveer vier uur later zaten allen
in de Rare Vos te genieten van een verdiende Belgische Stella
!................Mission accomplished !
Onze conclusies
Zeebrugge:
snel bereikbaar vanuit Schepdaal.
Oversea to:
P&O, gewoon goed, snel en matig comfortabel.
UK:
Aanmeren in Newcaste of Edingburgh is aan te raden. De saaie
aanrijroute vanuit Hull kan vermeden worden.
Schotland:
Wordt hoe noordelijker hoe mooier. Aangepast rijgedrag, svp!
Oversea from:
DFDS, zeer goed, snel, leuk comfortabel en meer klasse dan
P&O.
Ijmuiden/Amsterdam:
vrij vlotte wegverbinding met Antwerpen en Brussel zolang men
maar buiten de spitsuren gaat rijden.
Food:
Geen probleem qua verscheidenheid voor een verblijf van één
week.
Drinks:
Geen probleem.
Terrasjes:
Liggen niet zo dicht bezaaid als op het Europese vasteland.
Reisduur:
Vijf/zes dagen is een absoluut minimum. Zes/zeven dagen is zeker aan
te raden.
Prijs:
De prijs van de overzet is alvast een meerprijs (????? Euro).
The Highlands:
Deze zijn zo verschillend van alles wat de Vetsmotards tot nu
toe gezien hebben. Moet je als motorrijder, en misschien ook als
niet motorrijder zeker ervaren hebben.
The Highlander:
De man keek op bij het krijsen van een gouden arend. De wind
verdreef de wolken, de zon verwarmde zijn gelaat. De Highlander
daalde af naar de diepgroene vallei.
Hij wist zeker dat hij het gras van de vallei kon ruiken en zou
gezworen hebben dat hij River Dee kon horen klateren. Hij kon de
eiken vaten van de Royal Lochnagar Single Malt smaken van aan zijn
gehemelte tot diep in zijn keel wanneer hij de distillerij
ontwaarde.
Blootsvoets was de Hihglander over de Noordelijke klippen van Mount
Lochnagar tot op de top geklommen; het bloed aan zijn zolen was al
gestold. De zon brak door de zilveren wolken en brandde op het
litteken op zijn linkerwang. Zo aanschouwde hij de wereld aan zijn
voeten van op Cac Carn Beag……… ‘Dees ar mai lands !
Klimaat:
Kans op guur weer en regen met tussenpozen. Zomers wordt in de
Highlands een maximum temperatuur van 15 tot 20 C° genoteerd.
Plezierfactor: + + +
Besluit:
De beslissing om deze trip met Vetsmoto te ondernemen ligt bij de
groep Vetsmotards zelf. De meerprijs van de overzet en de extra
dagen verlof zijn de inspanning meer dan waard alhoewel ieder voor
zich dit moet overwegen.
Een avondvergadering bij Kuiper zal dus uitsluitsel moeten
brengen.
(red.: intussen genomen met een jaartje uitstel,
in 2009 gaan we ervoor!)

|